Johan Debruyne

Ik volg het oeuvre van Mieke Teirlinck (°Brugge, 1959) sinds het prille begin. Sinds halverwege de jaren ’90, toen ze na 8 jaar lering “cum laude” de academie van haar geboortestad achter zich liet. Ik zag haar initiële tentoonstelling.

In aanvang was er in hoofdzaak de schilderkunstige bravoure. In prille recensies werd met regelmaat verwezen naar Freud, Monet en Cézanne.  Verwijzingen die kunnen tellen, maar die de kunstenares eigenlijk niet in dank afnam. Het is waar dat ze opkeek en nog opkijkt naar tal van kunstenaars. Ook naar oude meesters. Hoe die met het licht toverden. Compositie, kleurgebruik en de manier waarop de verf wordt aangebracht, het houdt haar allemaal in de ban. Ze kijkt zich de ogen uit. Maar wil vooral zichzelf zijn! Vandaag, zoveel jaar later, word ik met regelmaat door haar werk gecharmeerd of aangegrepen. En lang niet alleen door haar technisch vermogen. Want, wat ze laat zien zijn vaak die dingen waarmee mensen doorgaans niet graag worden geconfronteerd…

De “Prijs Flori Van Acker” reiken ze in Brugge jaarlijks uit aan diegene die het best kan schilderen. En omdat Mieke - haar twee kinderen konden het zo stilaan makkelijker zonder moeder stellen - als bezeten bleef schilderen, is haar techniek nog gevoelig geëvolueerd. Niet in het minst de laatste jaren. Bijwijlen verbluft ze. Hoe ze door klonters kleuren tegen elkaar aan te brengen (het is bijna metselen met verf wat ze doet) vorm gaf en met het licht speelde. Bijvoorbeeld.

Onwillekeurig denk ik aan Midas Dekkers. Onlangs maakte hij ophef met zijn stelling dat elke atleet een patiënt is. Ik ben ervan overtuigd dat hij het vooral over de psychische kant van de zaak had. Het verblind geraken door en verslaafd aan prestaties, slaaf van cijfers en de eigen corpus. De vernietigende adonisatie. Wel, in een bepaalde optiek is ook Teirlinck een beetje een patiënt. Niet dat ze de beste wil zijn of alleen maar schoonheid nastreeft. Absoluut niet! Maar de mate waarin ze alles over heeft om de echtheid van iets weer te geven. Hoe ze de waarheid zoekt. Wil laten zien. Hoe ze wil weergeven wat zij (initieel) voelde.

Achterin de tuin heb ik het atelier weten bouwen. De weg erheen is voor haar een vluchtroute: schilderen! Dingen laten ontstaan met verf! Haar gevoelens in sobere, vaak sombere beelden op een doek gestalte geven… Voor Mieke Teirlinck is zowat alles een alibi om zich van de wereld af te zonderen en aan het schilderen te slaan.

Lange tijd haalde ze de wereld binnen. Of ze ging buiten. De weergoden tarten. Voor haar portretten werden uren, dagen geposeerd en wanneer ze zee, rotsen en natuur ging schilderen, was het in de natuur zelf dat ze datgene wat ze wilde weergeven aan den lijve wilde voelen. Of dat niet via foto kon? “Ja, maar ik wil niet anders.” Ik heb het haar vaak horen zeggen. Ook toen gegadigde galerieën haar vroegen de “productie” op te voeren…

Wat was typerend voor haar oeuvre? De verf lag dik, er was geen entourage, geen franje, niets dat de aandacht af kon leiden. Alleen de dingen zelf. Je vrolijker stemmen deden en doen haar beelden in regel niet. De sfeer is beladen. Het mysterie gekoesterd. Mieke maakt niets mooier dan het is. Integendeel. Ze laat de realiteit zien. Ik herinner me een grote exporuimte in Antwerpen:  grote werken met niets dan vlees. Van mensen. Extreem magere of obese mensen - wat bestaat mag gezien worden -, maar uit respect met de rug naar het publiek gekeerd. Je keek dus op… ruggen. Op ribben, ruggenwervels, hompen vet. Blootgeven wat niet gebruikelijk, is, maar tegelijk de intimiteit respecteren. Een dun koord. Ook het kadreren was en is belangrijk. Elke protagonist zat gevangen tussen de formaten van het doek. Het creëerde een prangende sfeer. Alleen maar dit. Niets anders.

Niet zo lang geleden portretteerde ze mensen met het syndroom van down.  Ze droomde ervan via haar schilderijen deze mensen in een “gewone” omgeving te laten zien. De “protagonisten” beleefden het moment van hun leven. Maar er dienden psychologische muren gesloopt. Tegen discriminatie gevochten. “Outdoors”, zo noemde ze deze tentoonstelling. Een enkel portret, dat van Francis, is naar London gereisd en getoond in de “National Portrait Gallery”. Later ook nog op tentoonstellingen in Edinburgh en Southampton. En het Museum dr. Guislain (Gent) kocht twee werken voor zijn privé-collectie.

Leuker - althans voor de kijker - waren de stillevens. Gebakjes allerhande, bijvoorbeeld. Groenten, fruit, vlees, vis, chocolade… Je zou er zo je tanden hebben in gezet. Maar dit was gewild schilderen tegen de klok. De hitte van de spots is dan ook meedogenloos voor al wat vers is.

Intussen zag ik de laatste jaren bijna niets dan werk van kunstenaars die gebruik maakten van het medium fotografie. “Ik wil het niet”, zei ze telkens weer. “Ik wil mensen en dingen die ik schilder voor me zien. Want in een houding lees je karakter,  expressie… Als de “objecten” zich voor je bevinden, dan zie je sowieso meer, begrijp je beter…”

Uiteindelijk heeft ze de stap toch gezet. Je moet weten dat Mieke Teirlinck niet onverdienstelijk fotografeert. Ik zie ze nog voor me, haar eerste werken naar foto’s. Van het Zwin, een brok natuurgebied tussen België en Nederland in. Het werk dat eruit voortkwam baadde in een groenige sfeer. Het verfgebruik was onnoemlijk zuiniger dan gebruikelijk. In de verte een groepje mensen. Sfeer. Het kon dus toch op deze manier.

Bij het fotograferen begon ze in aanvang de realiteit naar haar hand te zetten. Beelden die haar treffen. Ook het internet is een bron. Ze schildert vandaag dunner, sfeervoller, zowaar nog intiemer…

M.T.: “Het kleurgebruik is veranderd. Ik gebruik donkerder kleuren nu, blauwe tinten… Ze vergroten het mysterie, zorgen voor een intieme, broze sfeer. Ik zet nog wel kleurtoetsen, maar ik ga ze vervolgens open wrijven. Dit deed ik vroeger niet. De sfeer wordt waziger.”

M.T.: “Het beeld wordt met de computer gemanipuleerd, geknipt. Ik ga zelf de kleuren bepalen, laat dingen weg, creëer zo close-ups. Wanneer ik met het resultaat tevreden ben, dan ga ik schilderen. Het is afstandelijker schilderen dan wanneer ik het object schilder dat voor me staat, zit of ligt. Wat ik eigenlijk nog altijd boeiender vind. Let wel, ik wend nog steeds veel kleur aan, maar onverzadigd, waardoor subtiele nuances ontstaan. Een tikkeltje geel, rood of groen… die maken de overgangen in de blauwen net zo interessant…”

J.D.: Wat kort door de bocht wellicht: maar vind je ook dat je van “bravoure”  meer naar meer “sfeer” bent geëvolueerd? Naar mysterie?

M.T.: “Mysterie en diepgang zijn toegenomen. Ik wil de kijker voorts niet langer de pap in de mond geven, maar prikkelen om het raadsel te ontwarren. Hier draagt uiteraard het gebruik van donkere kleuren toe bij. Het focussen is nu heel belangrijk. Op die tas van dat vrouwtje bijvoorbeeld. Hoe die a.h.w. angstvallig wordt vastgehouden. En wat techniek betreft: een werk moet hoe dan ook goed geschilderd zijn. Ook bij deze werken zijn er met een behoorlijke moeilijk groeiproces…”

2013
Atelier Magazine